Foto’s uit de negentiende en de vroeg-twintigste eeuw tonen vrijwel altijd statussymbolen. Dat is iets wat we associëren met de act van het poseren. Het proces van het fotograferen en van het poseren vergde veel tijd omdat het toen, in tegenstelling met vandaag, onmogelijk was om en passant en snel een kiekje te nemen. Zodra er sprake is van poseren, stelt de in 2004 overleden Amerikaanse schrijfster Susan Sontag, of dat poseren nu een studioportret betreft of foto’s van mensen op hun werkplek of op vakantie, wordt er bewust geprobeerd om iets uit te beelden dat fatsoenlijk, passend en aantrekkelijk is. Uit de meeste oude foto’s blijkt dan ook de waarde die men hechtte aan, de vandaag ietwat oubollig klinkende termen als rechtschapenheid, duidelijkheid, leerzaamheid en geordende structuur.

Sinds de jaren 1930 tonen foto’s dat men waarde ging en begon te hechten aan beweging, animatie, asymmetrie, mysterie, en ook aan sociaal verkeer. Dat is iets wat niet alleen met de verbeterde cameratechniek te maken heeft, maar ook met de maatschappelijke evolutie uit die periode. Naar moderne maatstaven is de wijze waarop bijvoorbeeld arbeiders op oude foto’s van bouwplaatsen stijf en ‘netjes’ staan te poseren een soort leugen omdat het een leugen is die de dagelijkse realiteit van hun fysieke inspanningen verhult.

Vandaag kan iedereen foto’s nemen. Wie loopt er al niet tijdens vakantie, uitstapjes, familiefeesten gewapend met een camera rond. We hebben vandaag allemaal zelf de plaats van de fotograaf ingenomen. Want door de verbeterde technieken van vandaag lijkt het alsof we allemaal fotograaf zijn/zijn geworden – Joseph Beuys credo ‘Jeder Mensch ist ein Künstler’, waarmee Beuys aangaf dat ieder mens een kunstenaar is, indachtig.

Hoeveel foto’s worden er dagelijks wereldwijd op internet en op Facebook gepost? Opmerkelijk is dat iedereen de drang voelt van alles kiekjes te nemen, en die kiekjes dan à la seconde met een heleboel mensen wil delen als een soort van bewijs van een beleefde werkelijkheid. Want vandaag zien we liever het zweet, de informele, niet geposeerd ogende opnamen die mensen betrappen en tonen in hun intimiteit, in hun privacy, in hun beweging. De foto’s hoeven zelfs niet noodzakelijk mooi te zijn, als ze er maar echt uitzien. We voelen ons immers meer op ons gemak bij zulke ietwat onhandig maar spontaan geshootte beelden dan bij beelden die de realiteit van de manipulatie en van de macht maskeren – want indien die laatste realiteit getoond zou worden, dan zouden we ze als kunstmatig en geforceerd ervaren.


De foto’s van Didier Verriest die hier in de bibliotheek van Harelbeke te zien zijn, vormen een tegenpool met de snelheid van de kiekjes die iedereen vandaag uit de losse hand schudt. Verriests foto’s zijn vergelijkbaar met de opbouw van een schilderij waarin een personage, in casu de kunstenaar die poseert in zijn atelier, aan de hand van de hem omringende omgeving waarin hij dagelijks creëert en aan de hand van de attributen die hem omringen, wordt getypeerd. Opvallend in de selectie van de foto’s die hier hangen, is dat hoewel de schijn wordt opgeroepen dat de fotograaf even tersluiks in het atelier van de geportretteerde kunstenaar is komen binnen wandelen, er wel degelijks sprake is van de pose en dus van de traagheid van het beeld – iets wat reminiscenties oproept aan de nauwgezetheid en de secuurheid waarmee, zoals ik hierboven heb uiteengezet, foto’s in de vroeg-twintigste eeuw werden gemaakt. De fotograaf, Didier Verriest, vroeg aan elke kunstenaar of hij gedurende een aantal uren ‘aanwezig’ mocht zijn in het atelier terwijl de kunstenaar zelf er was en bezig was.


We zien hier dan ook statische foto’s, ook al geschieden er handelingen en roken bijvoorbeeld Jan Fabre en Pjeroo Roobjee een sigaret of is Roger Raveel aan het tekenen. Nu eens lijkt de kunstenaar nadrukkelijk samen te vallen met zijn werk dan weer vormt hij een natuurlijk onderdeel van zijn atelier. Maar steeds zijn we ons als kijker bewust van de pose en van de aanwezigheid van Verriest als fotograaf. Want de pose van de kunstenaar geeft de stilering van het bewustzijn van niet alleen de fotograaf, maar ook van het gefotografeerde weer. Daarbij is het van belang dat het gefotografeerde niet alleen slaat op de kunstenaar zelf maar ook op het atelier van die kunstenaar. Meer nog, in alle foto’s van Verriest valt de symbiose van de geportretteerde met zijn atelier op. De kunstenaar valt letterlijk en figuurlijk samen met zijn natuurlijke biotoop waarin hij dagelijks, of ’s nachts, creëert. Hij is ermee versmolten, vormt er een eenheid mee. Nu eens frontaal in beeld gebracht, dan weer, zoals bij de foto van Narcisse Tordoir of van Wim Delvoye, verdwijnend in de weidsheid en de grootheid van het atelier en van het beeld zelf.


Hoewel deze foto’s een document vormen, gewoon al door gedurende een periode van drie jaar 80 kunstenaars en ateliers weer te geven en zo te documenteren, (want we zien hier in de bibliotheek van Harelbeke slechts een fractie/een selectie van het werk) betreft het geen documentaire fotografie. De diepte die deze beelden hebben, toont de diepte van een hedendaagse cultuur, weergegeven aan de hand van 80 gerenommeerde kunstenaars die het tijdsbeeld en de tijdsgeest van de hedendaagse kunst van vandaag bepalen. Maar de diepte van deze beelden bestaat ook uit de interpretatie van de fotograaf, die ons bewust maakt van zijn subjectieve blik en ons attent maakt op het gegeven dat hij ons in feite stillevens toont van ateliers, waar de figuur van de kunstenaar een onlosmakelijk deel van uitmaakt.


Speciaal voor deze tentoonstelling hebben dan ook zes kunstenaars, namelijk Leo Copers, Karel Dierickx, Honoré d’O, Jus Juchmans, Johan Van Geluwe en Camiel Van Breedam een deel van hun atelier naar hier gebracht, dat te bewonderen is in de speciaal voor deze tentoonstelling opgestelde vitrinekasten. Op die manier wordt het atelier op een tactiele manier naar de bibliotheek gebracht.


Ik nodig u dan ook uit om dit alles, namelijk zowel de foto’s als de werken in de kijkkasten, te savoureren en er met een glas in de hand van te genieten.


Ik dank u.


Inge Braeckman